Waarom centralisatie botst met de aard van complexe problemen
De roep om een herstart van het NPLG is begrijpelijk. Professionals zoeken duidelijkheid en sturing, en het Rijk heeft nu eenmaal de middelen en zichtbaarheid. Dat zien we ook bij dossiers als de Ontwerp-Nota Ruimte en het klimaatakkoord. Maar de vraag blijft: werkt centrale regie wel bij écht complexe problemen?
De hoeveelheid informatie die nodig is voor goede besluitvorming is zó groot, zó gedetailleerd en zó verspreid over de tijd, dat deze niet centraal te verzamelen of te begrijpen is. Daardoor ontstaat een onvermijdelijke kenniskloof: het Rijk moet keuzes maken op basis van onvolledige aannames.
Dat leidt regelmatig tot onbedoelde neveneffecten. De stikstofuitkoopregeling verlaagde weliswaar de uitstoot, maar zorgde tegelijk voor meer akkerbouw met extra watergebruik en meer bestrijdingsmiddelen op ongewenste plekken. Betrokkenen zagen dit aankomen, maar het speelde geen rol in de besluitvorming. Het stikstofkaartje moest duidelijkheid brengen, maar leidde bijna tot een agrarische opstand. Ook hier miste het Rijk cruciale informatie.
Zo verandert een complex probleem in de besluitvorming noodgedwongen in een eenvoudiger probleem. Maar dan rijst de vraag: wat los je dan eigenlijk op?
De werkelijkheid is integraal, plannen niet
Gebiedsgerichte processen brengen partijen bij elkaar, maar leveren zelden de diepgaande informatie op die nodig is voor robuuste besluitvorming. Plannen zijn gebaseerd op historische gegevens, terwijl de werkelijkheid continu verandert. Daardoor lopen plannen al snel achter op de realiteit en rusten ze op aannames met een groot risico.
Wie investeert, wanneer en waarom, valt vooraf nauwelijks te voorspellen. Ondernemers en bestuurders reageren op marktontwikkelingen, politieke keuzes en persoonlijke omstandigheden. Juist deze duizenden individuele beslissingen vormen de echte motor achter gebiedsverandering. De dynamiek in een gebied ontstaat dus niet uit plannen, maar uit dit voortdurende samenspel van keuzes in de tijd. Daarom vraagt een effectieve aanpak niet alleen om Rijkskaders of gebiedswensen, maar vooral om het vermogen om flexibel in te spelen op toekomstige beslissingen van betrokken partijen. Een gezamenlijk gedragen toekomstperspectief , waarin ook de kaders van hogere overheden passen, vormt daarbij slechts het startpunt.
De waarde van zo’n toekomstperspectief stijgt wanneer het financieel wordt doorgerekend. Dat laat zien of een plan haalbaar is op gebiedsniveau, maar zegt nog niets over de uitvoerbaarheid voor individuele partijen. De verdeling van kosten en opbrengsten bepaalt wie in actie komt. Rendabele onderdelen worden door de markt opgepakt; investeringen met kosten of risico’s, zoals in natuur of infrastructuur, blijven liggen. Als een plan zowel financieel haalbaar is als dat kosten en opbrengsten eerlijk zijn verdeeld, kunnen alle gebiedsdoelen worden gerealiseerd. Een financieel doordacht gebiedsplan vormt zo de schakel tussen het toekomstbeeld en concreet handelingsperspectief. Een uitvoeringsorganisatie kan vervolgens beslissingen faseren, monitoren en laten aansluiten op het investeringsritme van overheid en markt.
Mijn conclusie: complexe problemen in het landelijk gebied laten zich niet centraal sturen. Ze vragen een dynamische aanpak in een langdurig samenspel tussen overheden en marktpartijen. Kaders kun je meegeven, maar echte regie ontstaat alleen daar waar beslissingen daadwerkelijk worden genomen: lokaal, in de dynamiek van plaats en tijd.