Waakhond
In de waterwereld is een stelsel opgebouwd dat juist wél een solide basis heeft. Dat is onder andere te danken aan structurele financiering in de vorm van het Deltafonds, dat buiten de begroting staat. Richard: ‘De kracht van het Deltafonds is dat het meerjarig (14 jaar, plus een doorkijk van 10 jaar) financiële zekerheid biedt voor het maken van aanleg-, onderhouds- en vervangingsafspraken. Dat vraagt nog steeds om lenigheid en flexibiliteit, maar biedt wel een basis.’ Volgens Jos vraagt continuïteit - naast structurele financiering - ook om wettelijke verankering, zoals de Deltawet. ‘En om een waakhond, zoals de Deltacommissaris: een onafhankelijke regeringscommissaris die over de voortgang rapporteert, knelpunten signaleert en aan de bel trekt als dat nodig is.’
Dat die organisatorische verankering bij de infrastructuur ontbreekt, is volgens Harmen een gemiste kans. ‘Vergelijk het met tunnels’, zegt hij. ‘Die hebben geen fonds, maar wel een wet en een waakhond, een veiligheidsbeambte. Je ziet dat het veilige gebruik en het beheer van tunnels daardoor beter geborgd is. Daarom vraag ik me af of er niet een renovatiecommissaris aangesteld zou moeten worden voor de vernieuwing van de infrastructuur.’

Het gesprek komt al snel op de reden waarom die institutionele borging er wel is bij het deltamanagement, maar niet bij de infrastructuur: de Watersnoodramp van 1953. ‘Vaak is er eerst een ramp nodig voordat er iets gebeurt’, zegt Jos. ‘Mensen waarschuwen daarvóór al, maar pas na een ramp weet iedereen: dit willen we nooit meer. Het Deltaprogramma is ingesteld in 2010, na de overstroming van New Orleans in 2005. Het idee was dat Nederland zich geen ramp meer kon permitteren, en dat we met het Deltaprogramma moeten proberen een nieuwe ramp te voorkomen.’ Harmen ziet ook hier een parallel met
tunnelveiligheid: ‘Pas na de tunnelbranden rond de eeuwwisseling, zoals de brand in de Mont Blanctunnel, kwam er echt beweging in. Die urgentie zie je niet bij andere infrastructuur. Wat dat betreft is het voor de vernieuwingsopgave misschien 1952: we weten wel dat er iets moet gebeuren, maar we voelen die urgentie nog niet.’
‘De Maeslantkering is bij uitstek een object waar elke ingenieur trots op is’, zegt adviseur Harmen van Schaik in een vergaderzaal met uitzicht op de grote stalen constructie. Delta-experts Jos van Alphen en Richard Jorissen hebben net uitgelegd hoe cruciaal de kering is voor de waterhuishouding in Nederland; het is een van de sleutelobjecten van het Deltaprogramma. Het succes van dat programma is de reden waarom Harmen van Schaik en collega-adviseur Joost Meijer - die zich allebei richten op infrastructuur - de waterexperts graag wilden spreken.
Waar Nederland uitblinkt in waterwerken, piept en kraakt de infrastructuur. Al jaren slaan gemeenten alarm omdat er niet genoeg geld is voor het onderhoud van wegen, bruggen en viaducten. Veel van die constructies zijn gebouwd na de oorlog en zijn aan het einde van hun levensduur. De vernieuwingsopgave is enorm, en geldgebrek is niet het enige obstakel. Er is ook een gebrek aan kennis, samenwerking en regie. Joost: ‘Voor ons zijn al die uitdagingen een reden om te kijken: hoe gaan we de vernieuwingsopgave systematischer organiseren?’
Nederland over 100 jaar
De kern van het Deltaprogramma is langetermijndenken. Als je een nieuwe watersnoodramp wil voorkomen, moet je naar de toekomst kijken: hoe ziet Nederland eruit in 2050 of 2100? En hoe hou je rekening met incidenten die eens in de 1.000 of 10.000 jaar plaatsvinden? ‘Dat is de kracht van het deltamanagement’, zegt Joost. ‘Het nadenken over falen, over de scenario’s waarin het misgaat. Die manier van denken kennen we niet bij de infrastructuur.’
Toch is langetermijndenken ook daar cruciaal, denkt Jos. ‘Zeker bij grote investeringen, zoals tunnels of viaducten. Infrastructuur heeft vaak een levensduur van meer dan 50 jaar, soms 100. En het genereert allerlei vervolginvesteringen, onder andere omdat fabrieken graag in de buurt van weg- en waterknooppunten staan, bijvoorbeeld bij zo’n tunnel. De bouw van infrastructuur werkt daarom 100 jaar door in je landgebruik. En dus moet je 100 jaar vooruitkijken.’
Dat is knap ingewikkeld, onder andere door de onzekerheid die daarbij komt kijken. Jos: ‘In het deltamanagement proberen we onzekerheid hanteerbaar te maken met scenario’s op het gebied van klimaatverandering, bevolkingsomvang, economische groei. Die geven een bepaalde bandbreedte van mogelijke toekomsten waar je je op moet voorbereiden. Honderd jaar vooruitkijken is dan nog steeds ingewikkeld, maar de scenario’s geven wel inzichten in de risico’s en daarmee ook houvast bij het afwegen van maatregelen.’
Ook in de infrastructuur kunnen scenario’s helpen om met onzekerheid om te gaan. ‘Kijk bij de aanleg van tunnels bijvoorbeeld naar klimaatscenario’s’, zegt Jos. ‘Hoeveel neerslag moet je in de toekomst kunnen wegpompen zodat de tunnel niet onderloopt? Je kijkt dan naar het worst case-scenario, maar ook naar wat je moet doen als het meevalt. Zodat je de maatregelen neemt die nodig zijn, zonder gigantische bedragen te investeren die op de lange termijn niet nodig zijn.’

Ruimte om bij te sturen
Een andere kracht van het deltaprogramma is dat het ondanks het langetermijnperspectief adaptief blijft: er blijft zo veel mogelijk ruimte voor bijsturing. ‘Denk aan het kustmanagement’, zegt Richard. ‘Dat is sinds de jaren 90 heel adaptief: je wacht tot het zand weg is en legt er weer een beetje bij. Dat concept - building with nature - heeft lang veel tegenwind gehad. Maar nu is het een van de succesfactoren in adaptief watermanagement.’ De vraag is hoe je dat vertaalt naar infrastructuur. ‘Adaptief werken is een stuk makkelijker in de waterwereld. Zo kun je de vereiste waterveiligheid bieden met een harde
kering in combinatie met een voldoende hoog en breed voorland.’
Toch ziet Richard mogelijkheden, zeker op systeemniveau. ‘Ik werk nu in Rotterdam aan de nieuwe stadsbrug, en de hoofdfunctie van de infrastructuur die we daar aanleggen is het openbaar vervoer. Dat is een duurzame keuze die bovendien adaptief is. Je kunt de tramlengte vergroten en/of de rijfrequentie verhogen en zo ruimte maken voor groei. Op systeemniveau is de mobiliteitskeuze dus belangrijk.’ Op objectniveau is de vertaalslag naar infrastructuur een stuk moeilijker. ‘Een dijk bestaat vooral uit zand en klei en die kun je zo ophogen of verbreden, maar een probleem met een tunnel of brug is niet zomaar opgelost met een toevoeging aan het bestaande object. Dat zien we ook terug bij constructieve oplossingen voor de waterveiligheid. Die zijn meestal niet zo adaptief en worden ontworpen met een lange levensduur.’
Dit artikel is onderdeel van ons nieuwe magazine 'De toekomst beweegt- Onderweg naar een nieuw mobiliteitssysteem'. Een magazine over de toekomst van mobiliteit met inzichten over bereikbaarheid, ruimte, duurzaamheid, innovatie en samenwerking. Download het hele magazine hieronder.