Dat klinkt als goed nieuws. En dat is het ook. Maar het brengt ook een nieuw vraagstuk met zich mee. Want netcongestie stopt niet bij de gemeentegrens. En binnen het systeem van de netbeheerders geldt nog steeds: wie het eerst indient, staat het eerst op de wachtlijst.
De vraag is dus: ga je als gemeente zo snel mogelijk zelf aan de slag, of stem je af met je buurgemeenten, regio of provincie?
Wij kijken vooral naar woningbouw. Voor collectieve woonvormen en onderwijshuisvesting werkt het mechanisme grotendeels hetzelfde.
Even terug naar de metafoor
In het vorige blog vergeleken wij netcapaciteit met een tafeltje in een restaurant. Tot nu toe reserveerde de gastheer automatisch een tafel voor woningen. Straks moeten gemeenten zelf bellen.
Maar wat als jij en je buurgemeenten tegelijk naar hetzelfde restaurant bellen, terwijl er nog maar één grote tafel beschikbaar is? Bel je dan zo vroeg mogelijk, in de hoop dat je de anderen voor bent? Of pak je samen de telefoon en regel je één groepstafel waar iedereen aan past?
Precies daar zit de bestuurlijke puzzel.
Vervroegd aanvragen in het kort
Het ACM-prioriteringskader verdeelt schaarse netcapaciteit op basis van maatschappelijke prioriteit. Aanvragen worden ingedeeld in vier categorieën. Woningbouw valt als basisbehoefte in categorie 3. Binnen elke categorie geldt vervolgens: wie het eerst indient, staat het eerst op de wachtlijst.
Met de nieuwe mogelijkheid van ‘vervroegd aanvragen’ kunnen gemeenten vanaf 1 oktober 2026 netcapaciteit reserveren voor woningbouwprojecten die binnen tien jaar worden gerealiseerd. Daarvoor hoeft er nog geen volledig uitgewerkt ontwerp te liggen. Om voorrang te krijgen op de wachtlijst moet de gemeente wel per project kunnen onderbouwen dat het om een woningbouwproject gaat dat daadwerkelijk gerealiseerd gaat worden. Daarvoor levert de gemeente bewijslast aan, zoals een afschrift van het omgevingsplan of een intentieovereenkomst of anterieure overeenkomst. Ook is een bestuursverklaring nodig waarin staat dat het project concreet is en door de gemeente wordt ondersteund.
De praktische consequentie is groot. De gemeente stelt een lijst met woningbouwprojecten op en moet bepalen welke woningbouwprojecten als eerste worden ingediend en welke projecten later aan de beurt zijn. De netbeheerder behandelt de aanvragen volgens het first come, first served principe zodra er capaciteit beschikbaar komt. Een eerdere indiening betekent dus eerder duidelijkheid. En daarmee mogelijk ook sneller bouwen.
De uitdaging
Wat wij nu in het land zien, is dat gemeenten onbedoeld in een soort prisoners’ dilemma terechtkomen. Voor één individuele gemeente is het logisch om zo snel mogelijk aan te melden. Je wilt je eigen woningbouwprojecten natuurlijk niet onnodig achteraan laten aansluiten.
Maar als iedereen dat doet, ontstaat er een ongewenste uitkomst. De ene gemeente legt misschien in één keer capaciteit vast voor jaren vooruit, terwijl een buurgemeente achter het net vist. Niet omdat het ene project belangrijker is dan het andere, maar simpelweg omdat de ene gemeente eerder zijn woningbouwplannen heeft ingediend.
Op 1 oktober gaat het nieuwe loket open. Op dat moment liggen er door heel Nederland projectenlijsten klaar. Zonder afstemming wordt het een sprint waarvan niemand echt weet wat de gevolgen zijn. Daarom zoeken overheden nu naar manieren om dit goed te organiseren. Grofweg zien wij drie smaken ontstaan: coördinerend, collectief en individueel.
Smaak 1: coördinerend via de provincie
Om een gelijk speelveld te creëren tussen gemeenten lijkt het logisch om provincies een rol te laten spelen in het vervroegd aanmelden. Initieel was er het idee om provincies de projecten te laten indienen bij de netbeheerders in een ‘batchgewijze’ aanmelding. Bij deze vorm zou de provincie de projecten namens gemeenten indienen bij de netbeheerder. De volgorde van indiening zou bepaald moeten worden op basis van objectieve criteria. Deze ‘batchgewijze’ indiening door de provincie lijkt momenteel zowel technisch als juridisch gezien niet mogelijk.
Een coördinerende rol ligt daarom meer voor de hand: de provincie brengt partijen bij elkaar en coördineert het proces om tot gezamenlijke afspraken over de indiening te komen, terwijl gemeenten zelf verantwoordelijk blijven voor de uiteindelijke keuzes en de indiening doen. Heldere rolverdeling is bij deze optie cruciaal. Verschillende provincies hebben al aangegeven graag een rol te willen spelen in het creëren van een gelijk speelveld voor gemeenten.
Smaak 2: collectief verdelen met gemeenten
Een tweede optie is dat gemeenten het verdeelvraagstuk samen oppakken, zonder dat een hogere overheid de regie of coördinatie op zich neemt.
Dat kan bijvoorbeeld binnen een RES-regio of energieregio. Daar bestaat vaak al bestuurlijke samenwerking en gemeenten kennen elkaars woningbouwambities. Projectlijsten kunnen dan worden samengevoegd en gezamenlijk worden geordend op basis van afspraken die de regio zelf maakt.
Een andere mogelijkheid is samenwerken op het niveau van een congestiegebied of onderstation. Technisch gezien ligt dat voor de hand. Uiteindelijk bepaalt het congestiegebied namelijk op welke wachtlijst een woningbouwproject terechtkomt. Bestuurlijk is dat vaak ingewikkelder, omdat congestiegebieden dwars door gemeente- en regiogrenzen heen kunnen lopen. De samenwerking met die buurgemeenten moet soms nog helemaal worden opgebouwd. Daarbij verschillen de congestiegebieden van grootte; in sommige regio's, zoals in Flevoland, Gelderland en Utrecht (FGU) is dat (een groot deel van) de provincie. In andere regio's is het congestiegebied kleiner en hoef je maar met een klein aantal buurgemeenten af te stemmen.
Het voordeel van deze collectieve aanpak is dat gemeenten zelf eigenaar blijven van het vraagstuk. Er is ruimte voor maatwerk. Gemeenten kunnen samen afwegen wat zwaarder weegt in het bepalen van de volgorde: realisatiedatum, planningszekerheid, maatschappelijke waarde of bijvoorbeeld netbewust bouwen.
De keerzijde is dat er geen vanzelfsprekende spelverdeler is. Verschillen van inzicht liggen op de loer. En de tijd richting 1 oktober is kort. Als het maken van afspraken mislukt, belandt elke gemeente in het ‘ieder voor zich’ scenario. Juist daarom is het belangrijk om snel duidelijkheid te krijgen over de spelregels, rolverdeling en besluitvorming.
Smaak 3: individueel, ieder voor zich
De derde smaak is eigenlijk de meest eenvoudige: je stemt niet af. Elke gemeente bepaalt zelfstandig welke woningbouwprojecten zij indient en op welk moment.
Op korte termijn voelt dat aantrekkelijk. Minder overleg, minder afhankelijkheid van anderen en meer grip op je eigen proces.
Maar de keerzijde is groot. Dit is het prisoners’ dilemma in zijn zuiverste vorm. Wie als eerste indient, krijgt voorrang. Ook als dat project regionaal of provinciaal gezien misschien niet de meeste prioriteit verdient.
Dat kan leiden tot scheve uitkomsten, bestuurlijke spanningen en projecten die jarenlang vertraging oplopen omdat ze net buiten de boot vallen.

Hoe regel je dit bestuurlijk?
Welke smaak je ook kiest, een aantal dingen moet je als gemeente intern sowieso op orde hebben. Allereerst heb je een goede projectenlijst nodig. Van elk project moet duidelijk zijn of het concreet genoeg is, of de benodigde bewijslast beschikbaar is en of het project door de gemeente wordt ondersteund.
Daarnaast moet je als gemeente beleidsregels vaststellen. Daarin leg je vast op basis van welke criteria je woningbouwprojecten op volgorde zet voor het indienen. Denk bijvoorbeeld aan realisatiedatum, planologische zekerheid, maatschappelijke waarde, bijdrage aan de woningbouwopgave of de mate waarin een project netbewust wordt ontwikkeld. Daarmee voorkom je dat de volgorde op de projectenlijst willekeurig voelt, en vermijd je juridische claims. Ook maak je bestuurlijk duidelijk waarom het ene project hoger op de lijst staat dan het andere.
Ook moet je bepalen wie de lijst en de criteria vaststellen. In veel gevallen zal een collegebesluit voldoende zijn voor de uitvoering. Bij grote financiële of strategische consequenties kan het logisch zijn om de raad te betrekken. Regel daarnaast mandaat voor projecten die later worden toegevoegd, zodat niet elke wijziging opnieuw langs het college hoeft.
De timing is misschien wel het spannendste onderdeel. Het besluit over de beleidsregels, projectenlijst en de bestuurlijke verklaring voor het aanvragen van prioriteit moet bij voorkeur vóór het zomerreces worden genomen. Daarna ligt veel bestuurlijke besluitvorming stil, terwijl 1 oktober snel dichterbij komt.
Zoals eerder benoemd wordt deze planning nog strakker als je kiest voor een regionale of provinciale werkwijze. Je moet dan niet alleen je eigen besluitvorming op orde brengen, maar ook zorgen dat de gezamenlijke route daarop aansluit. Eerst moet intern bestuurlijk duidelijk zijn dat de gemeente meedoet aan de gezamenlijke werkwijze. Daarna moet op regionaal of provinciaal niveau nog een geïntegreerde projectenlijst worden opgesteld, afgestemd en vastgesteld.
Welke samenwerking heb je nodig?
Geen enkele aanpak kun je helemaal alleen uitvoeren. Een paar samenwerkingen zijn cruciaal.
Intern heb je een breed projectteam nodig. Denk aan collega’s vanuit energie, gebiedsontwikkeling, wonen en juridische zaken.
Daarnaast heb je ontwikkelaars en particuliere initiatiefnemers nodig. Zij leveren belangrijke gegevens aan, zoals het aantal aansluitingen, het type bouw en de fasering. Ook kunnen zij helpen met de benodigde bewijslast, zoals overeenkomsten of planologische documenten.
Let daarbij ook op particuliere initiatieven die nog niet goed bij de gemeente in beeld zijn. Naar schatting gaat dat om ongeveer 10% van de woningbouw. Een publieke uitvraag kan helpen om deze projecten alsnog in beeld te krijgen en ze een kans te geven om mee te doen aan de batch-aanvraag. Daarmee voorkom je dat je projecten mist of later discussie krijgt over ongelijke behandeling.
Ook de provincie en regio zijn belangrijk. Juist daar speelt de keuze voor een van de smaken. Ga dus nu al het gesprek aan. Niet pas in september. Verken wat de provincie en regio van plan zijn, welke criteria zij mogelijk hanteren, welke rol zij willen pakken en hoe de besluitvorming eruitziet.
Tot slot is goed contact met de netbeheerder essentieel. Veel praktische details worden de komende maanden nog verder uitgewerkt. Denk aan het exacte aanvraagformulier, de eisen aan een polygoon en het type overeenkomst dat nodig is voor het aanvragen van prioriteit. Korte lijnen helpen om verrassingen te voorkomen.
Drie belangrijke momenten richting 1 oktober
De komende periode kent eigenlijk drie belangrijke momenten.
Welke variant moet je kiezen?
Er is geen standaardoplossing die overal werkt. De juiste aanpak hangt af van de technische netcontext, de bestuurlijke verhoudingen en de mate van urgentie tussen projecten.
Waar zitten de knelpunten op het net? Is er vertrouwen tussen gemeenten? Is er al ervaring met regionale samenwerking? Hoeveel ruimte is er nog op het net en hoe groot is de concurrentie tussen woningbouwprojecten?
Wat de drie smaken gemeen hebben, is dat afstemming geen vrijblijvende keuze meer is. Het is een strategische noodzaak geworden. De kunst is om bewust te kiezen welke vorm past bij de lokale situatie. En om die keuze bestuurlijk goed te dragen. Want wat op 1 oktober begint als een technische aanmelding, kan jarenlang invloed hebben op woningbouw én op de bestuurlijke relaties tussen gemeenten.
Wil je in de tussentijd sparren over hoe je vervroegd aanvragen in jouw gemeente organiseert? Stuur ons gerust een berichtje.