Toch speelt onder de oppervlakte een minstens zo fundamenteel vraagstuk. Vrijwel iedere maatregel uit de stikstofaanpak vraagt uiteindelijk om ruimte. Extensivering van landbouw vraagt om grond. Natuurherstel vraagt om grond. Water- en klimaatmaatregelen vragen om grond. Bedrijfsverplaatsingen vragen om grond. Tegelijkertijd leggen ook woningbouw, energie-infrastructuur, defensie en de energietransitie steeds nadrukkelijker beslag op dezelfde schaarse hectares.
Wie voorbij de stikstofcijfers kijkt, ziet daarom een andere werkelijkheid. De discussie gaat uiteindelijk niet alleen over stikstof, maar vooral over grond.
De grondmarkt komt steeds meer in beeld
Dat besef groeit langzaam. De afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat veel maatschappelijke opgaven uiteindelijk samenkomen op dezelfde percelen. Grond wordt daardoor niet langer gezien als een randvoorwaarde voor beleid, maar steeds vaker als een bepalende factor voor de uitvoerbaarheid ervan.
De praktijk is weerbarstig. Grond heeft een eigenaar. Grond heeft een prijs. Grond kent verwachtingen over toekomstige waardeontwikkeling. En grond wordt gebruikt voor functies die steeds vaker met elkaar concurreren. Daarmee is de grondmarkt geen neutraal speelveld waarop maatschappelijke opgaven eenvoudig kunnen landen. Ontwikkelingen op de grondmarkt bepalen in belangrijke mate welke transities wel of niet uitvoerbaar zijn. Hoge grondprijzen, beperkte grondmobiliteit en een groeiende vraag naar ruimte maken het steeds moeilijker om maatschappelijke doelen daadwerkelijk te realiseren.
De omvang van die opgave wordt daarbij nog weleens onderschat. Het gaat niet alleen om het inpassen van een aantal maatregelen binnen het bestaande ruimtegebruik. In veel gebieden vraagt de stikstofopgave om een fundamentele herverdeling van functies. De vraag is niet alleen hoe stikstof wordt gereduceerd, maar ook hoe landbouw, natuur, water, wonen en economie zich opnieuw tot elkaar gaan verhouden.
Meer instrumenten zijn niet genoeg
Het kabinet erkent het belang van grond en zet in op instrumenten zoals vrijwillige kavelruil, grondbanken en herverkaveling. Zonder deze instrumenten blijft een groot deel van de transitie steken in goede bedoelingen.
Tegelijkertijd zit de grootste uitdaging waarschijnlijk niet in de beschikbaarheid van instrumenten. Overheden beschikken al over een breed palet aan mogelijkheden om ontwikkelingen te beïnvloeden. De vraag is vooral hoe en wanneer die instrumenten worden ingezet.
In de praktijk wordt grondbeleid namelijk nog vaak reactief toegepast. Een initiatief dient zich aan, een kans ontstaat of een transactie komt beschikbaar, waarna wordt bekeken welk instrument inzetbaar is. De grondstrategie volgt dan het initiatief.
Juist in het landelijk gebied lijkt een omgekeerde benadering nodig. Niet wachten op kansen, maar vooraf bepalen welke maatschappelijke doelen leidend zijn, welke ontwikkelingen actief worden gestimuleerd en waar publieke capaciteit en financiële middelen worden ingezet. Pas daarna volgt de keuze welk instrumentarium daarbij past.
Daar komt nog iets bij. Gebiedsontwikkelingen en veranderingen in grondgebruik voltrekken zich vaak over tientallen jaren, terwijl beleid en bestuurlijke prioriteiten regelmatig veranderen. Voor grondeigenaren, ondernemers en investeerders is juist langjarige duidelijkheid essentieel om keuzes te maken. Zonder een consistente koers blijft zelfs het beste instrumentarium beperkt effectief.
Grond als strategisch sturingsmiddel
Hier raakt de stikstofdiscussie aan een bredere bestuurlijke opgave. Veel vraagstukken in het landelijk gebied gaan uiteindelijk niet over stikstof, water, natuur, woningbouw of energie afzonderlijk. Ze gaan over de verdeling van dezelfde schaarse ruimte tussen verschillende maatschappelijke ambities.
Dat vraagt om meer dan incidentele grondtransacties of losse interventies. Het vraagt om een strategische visie op grond. Niet grond als eigendom, maar grond als sturingsmiddel. Een belangrijk inzicht daarbij is dat niet iedere hectare dezelfde maatschappelijke opgave hoeft te dragen. Jarenlang is geprobeerd om zoveel mogelijk functies met elkaar te combineren. In de praktijk blijkt echter dat sommige functies elkaar versterken, terwijl andere om duidelijke keuzes vragen. De discussie gaat daardoor steeds minder over hoeveel ruimte nodig is en steeds meer over welke functie op welke plek het beste past.
Uiteindelijk gaat het daarbij niet alleen over eigendom of prijsvorming, maar vooral over grondgebruik. Welke vormen van landbouw passen waar? Waar krijgt natuur herstelruimte? Waar zijn water en bodem leidend? En waar blijft ruimte beschikbaar voor economische ontwikkeling of woningbouw?
Misschien is dat wel de kern van de stikstofdiscussie. Niet hoeveel stikstof we willen reduceren, maar welke toekomst we voor het landelijk gebied voor ons zien en welke ruimte we bereid zijn daarvoor vrij te maken.
De vraag of Nederland van het stikstofslot komt, wordt daarom niet alleen beantwoord in Den Haag, provinciehuizen of rechtbanken. Uiteindelijk ligt een belangrijk deel van het antwoord op de grondmarkt. Daar komen beleid, eigendom, investeringen en maatschappelijke ambities samen. En daar wordt zichtbaar of overheden erin slagen om schaarse ruimte gericht toe te delen aan de functies die zij maatschappelijk het belangrijkst vinden. Juist daar wordt bepaald of ambities ook daadwerkelijk uitvoerbaar zijn.
In ons visiedocument ‘Grondbeleid en grondstrategieën als fundament voor de transitie van het landelijk gebied’ laten we zien hoe gemeenten die stap kunnen zetten. Aan de hand van een praktisch achtstappenplan werken we uit hoe ambities, rollen, instrumenten, financiën, organisatie en monitoring in samenhang kunnen worden georganiseerd.
Download het visiedocument en ontdek hoe strategisch grondbeleid kan helpen om maatschappelijke ambities te vertalen naar uitvoerbare keuzes voor het landelijk gebied.