Je gaat erover of niet | Twynstra Gudde - Organisatieadviesbureau - organisatieadviesbureau

Je gaat erover of niet

Twynstra Gudde en Nirov verzorgden op het Sneller en Beter Next-congres van maandag 22 november een werktafel over spraakverwarringen tussen de werelden van ruimtelijke ordening, mobiliteit en infrastructuur. Gespreksleiders waren Maatje Nooren (Twynstra Gudde) en Marjolein Stamsnijder (Nirov). De belangrijkste conclusie...

Ruimtelijke processen zijn gebaat bij concrete afstemming, zowel binnen organisaties als tussen organisaties (verschillende lagen van de overheid en de markt). Die afstemming moet al vroeg beginnen, als het kan meteen bij de start van de initiatieffase. Dit is onderdeel van de Sneller en Beter-aanpak. Daarbij is het belangrijk om af te spreken wie waar over gaat en om het ‘Nederlandse’ gelijkheidsdenken los te laten. Want partijen zijn wel gelijkwaardig, maar dat betekent niet dat iedereen over alle aspecten van een plan moet meebeslissen. Wil je snelheid krijgen in het proces, dan moet je soms accepteren dat iemand anders erover gaat. Heldere spelregels kunnen daarbij helpen.

Dit is een belangrijke conclusie van de deelnemers aan de Werktafel over spraakverwarringen tussen de werelden van RO, mobiliteit en infrastructuur. Deze Werktafel werd georganiseerd door Twynstra Gudde en Nirov tijdens het Sneller en Beter Next-congres op 22 november 2010. Gespreksleiders waren Maatje Nooren (Twynstra Gudde) en Marjolein Stamsnijder (Nirov).

Tijd besparen

In het werken volgens de Sneller en Beter-aanpak wordt al in de initiatief- en verkenningsfase goed afgestemd tussen de verschillende beleidsterreinen en belangen. Zodat er geen punten blijven liggen en dat duidelijk is waarover is besloten, waarover niet is besloten en waarover in een later stadium alsnog een besluit moet worden genomen. Als dat voor alle betrokken partijen helder is, scheelt dat tijd –ook in de latere fasen van het project. Het streven van Sneller en Beter is immers om de realisatie van infrastructuur te halveren van 14 naar 7 jaar. Ook gebiedsontwikkeling moet in een kortere periode van de grond komen.

Bestemming

Aan de werktafel blijkt tijdens de kennismakingsronde al, dat de deelnemers verschillende associaties hebben bij het woord ‘bestemming’. Een stationshalte, een bestemming uit een bestemmingsplan (bijvoorbeeld woon- of winkelbestemming), een plek op de kaart, het doel van een beleidsproces, de bestemming van poststukken, de eindhalte van de tram. Zoveel achtergronden en vakgebieden van de deelnemers, zoveel associaties. Zo zitten er beleidsmedewerkers van het nieuwe ministerie van Infrastructuur en Milieu aan tafel, maar ook mensen die werken binnen gemeenten, een jurist, een verkeerskundige, ingenieurs van Rijkswaterstaat en een aannemer uit de wegenbouw.

Verwarring

Maar niet alleen woorden en begrippen zoals bestemming, kunstwerk, netwerk en overdruk leveren in de praktijk verwarring op. De deelnemers geven aan dat ook het proces (wat moet gebeuren op welk moment) en de verschillende, al of niet expliciet gemaakte, belangen van de partijen in dat proces bijdragen aan de onduidelijkheid. De verschillende tijdshorizonnen van de werelden van RO en infra maken de verwarring compleet.

 Voorbeelden van verwarring

  • Binnen een gemeente lag de stedenbouwer die een plan maakte voor een nieuwbouwwijk met veel groen in de clinch met de verkeerskundige die in dat plan het tekort aan parkeerplekken en de ‘hondenpoeproute’ door het groen al zag aankomen.
  • Bij de aanleg van een weg mocht door nieuwe werkprocessen de aannemer niet direct met de opdrachtgevers van Rijkswaterstaat praten. Alles staat in het bestek, was het motto. Ondertussen waren de problemen met de afwatering van de weg met het blote oog zichtbaar.
  • De planvorming in het MIRT is voor ruimtelijke ordenaars een belangrijke manier om geld te verkrijgen voor ruimtelijke visies en plannen, maar voor de (oud) Verkeer en Waterstaatmedewerkers is het meer een instrument om te bepalen waar rijksinvesteringen noodzakelijk zijn.
  • Om de verwarring nog groter te maken, hebben veel organisaties en disciplines hun eigen rekenmodellen en meetmethoden. De uitkomsten daarvan liggen niet altijd op één lijn. Bovendien bepalen in veel van die rekenmodellen de gegevens van gisteren de potentie van morgen, waardoor kansen blijven liggen.

Reageer