Einde collectiviteit: vloek of zegen? | Twynstra Gudde - Organisatieadviesbureau - organisatieadviesbureau

Einde collectiviteit: vloek of zegen?

Rutte II zette een streep door het Productschap Tuinbouw. Per direct hoefden tuinbouwondernemers niet meer verplicht af te dragen aan dit schap en was in één klap 100 miljoen collectief privaat geld per jaar verdwenen. Hoe heeft de sector deze klap opgevangen en waarom draait Rutte III deze maatregel gedeeltelijk weer terug?

Opheffen van het productschap tuinbouw betekende geen wettelijk georganiseerde collectieve financiering meer van wetenschappelijk onderzoek, of internationale promotie. De tuinbouwsector heeft in het productschaploze tijdperk op drie manieren gereageerd:

  1. Private samenwerking op vrijwillige basis
  2. Schaalvergroting bij bedrijven
  3. Triple helix samenwerking in kleiner verband

1. Private samenwerking op vrijwillige basis

Het bloemenbureau Holland kreeg tot 2012 circa 25 miljoen euro van het productschap tuinbouw. Het idee achter het bloemenbureau Holland is dat het slimmer is om bloemen als collectief product te vermarkten, dan alleen jouw soortje. Met meer dan 20.000 types bloemen en planten en 100.000 verkooppunten in alleen al Europa is dat overigens een onbegonnen zaak. Na afschaffing van het productschap hebben de bloemenhandelaren en bloemenveiling Royal FloraHolland de handen in een geslagen en de taken van het bloemenbureau overgenomen. Samen hadden ze voldoende marktmacht om een substantiële organisatie op te zetten. Het wettelijk kader van het productschap bleek achteraf dus niet echt nodig, of zoals een kweker tegen mij zei "nu is het duidelijk dat we zelf iets aan marketing moeten doen" 

Een ander voorbeeld is samenwerking op het gebied van innovatie bij het ontwikkelen van nieuwe bloemen- en plantenrassen. In toenemende mate gebeurt dat niet meer in het veld, maar achter de microscoop en in de computer. Technologieën die zo nieuw zijn en zich zo hard ontwikkelen dat bedrijven door samenwerken hun individuele positie kunnen en eigenlijk ook wel moeten versterken om te overleven. Geld is op zich geen probleem, want de veredelaars behoren tot de bedrijven met de hoogste rendementen van Nederland. Recent hebben een drietal bedrijven een gezamenlijk nieuwe kennisbedrijf opgezet, GenNovation.  Zij zijn echter nog een uitzondering.

2. Schaalvergroting bij bedrijven

Wanneer we blijven bij bovenstaande twee voorbeelden, zie ik ook een andere kant. Sommige teelt- en handelsbedrijven zijn dermate in omvang gegroeid of gespecialiseerd, dat ze zelfstandig marketing- en promotieactiviteiten ontplooien. Het grootste handelsbedrijf, de Dutch Flower Group, heeft inmiddels een omzet van meer dan 1,4 miljard euro en teeltbedrijven als JUB Holland of Bunnikplants investeren al jarenlang in marketing- en promotie in samenwerking met hun afnemer. Met een afzet van 600.000 planten per week door Bunnikplants is daar dan ook alle aanleiding voor.

Ook in de veredeling van sierteelt kiezen bedrijven voor schaalvergroting. Met venture capital koopt het bedrijf Dümmen Orange kleinere en grotere veredelingsbedrijven. Door deze nieuwe schaalgrootte wordt het groot genoeg om zelfstandig te investeren in de nieuwste technologieën. Aangezien het ontwikkelen van een nieuwe bloem of plant 10-15 jaar tijd kost, gaat het daarbij echt om diepte-investeringen. Bedrijven die dit moeilijke kunstje het beste beheersen zijn in staat een continue stroom aan duurzame en voor de consument onderscheidende bloemen en planten op de markt te brengen en daarmee een sterk concurrentievoordeel te realiseren. 

3. Triple helix samenwerking in kleiner verband

Waar de promotie van bloemen en planten inmiddels volledig door de markt is overgenomen, zijn een aantal hoogleraren bezig met het deltaplan sierteeltveredeling. Kort gezegd komt dat er volgens hen op neer dat de sierteelt kwa technologie achterloopt bij de groenteveredeling. In de groenteveredeling beheersen een tiental bedrijven de markt voor groentezaden wereldwijd. Sommige van hen hebben een R&D budget van meer dan 20% en honderden miljoenen tot miljarden euro's omzet per bedrijf. Zelfs de grootste en meest vooraanstaande sierteeltveredelaars kunnen hier niet aan tippen. Het idee van het deltaplan sierteeltveredeling is het binnenhalen van miljoenen euro’s om nieuwe veredelingstechnieken versneld naar de markt te brengen, waarbij de overheid de regie neemt om dit te organiseren.

Om die reden spelen regionale Greenports hierbij een rol. Greenports proberen het gat dat het productschap heeft achtergelaten in te vullen met voornamelijk geld van regionale overheden, aangevuld met nationale of Europese subsidies. Waar de meerwaarde van Greenports niet wordt betwist, worden er wel vraagtekens gezet of een regionale overheid zich moet inzetten om rechtstreeks dit soort innovatieprojecten op te zetten. Draagt dit bij aan het laten samenwerken van bedrijven op het gebied van innovatie en is het onderdeel van legitiem regionaal economisch beleid, of verstoort de overheid de markt en de mogelijkheden voor bedrijven om zich te onderscheiden?   

Vloek of zegen?

Al met al denk ik dat het opheffen van de productschappen door het kabinet Rutte II goed is geweest. Het collectief van onderop was opgelegde collectiviteit geworden, sleets en inefficiënt. Ook kon de markt een aantal taken prima zelf oppakken en bleek dat na beëindiging sommige taken zelfs door niemand gemist te worden. Toch is hier, zoals wel vaker, het kind met het badwater weggegooid. Noodzakelijk kwaad en daarom probeert het kabinet Rutte III het kind alsnog te reden door het ‘algemeen verbindend verklaren’ weer toe te staan.   

Reageer