Uit: Bruggen slaan – Regeerakkoord VVD-PvdA, 29 oktober 2012;

“Onderwijs en wetenschap in Nederland zijn van hoog niveau, maar onze ambitie reikt verder: wij willen tot de top vijf van de wereld gaan horen. De kwaliteit van de man of vrouw voor de klas of in de collegezaal is daarbij van doorslaggevende betekenis.”

Mooi geformuleerd, maar ondertussen wordt het potentieel van de man of vrouw voor de klas onvoldoende benut. En dat is er wel degelijk. We hebben het hier over een hoogopgeleide beroepsgroep die zeer betrokken is bij de leerling of student en het vak. Een prachtig beroep, maar ook één waarvan we het potentieel onvoldoende benutten. Waarom?

1. Propvolle roosters en strakke leerplannen

Voor het benutten en verder ontwikkelen van je potentieel, je talent, heb je tijd en ruimte nodig, onder meer voor reflectie en professionele ontwikkeling. Maar waar vind je die tijd in een systeem zoals we dat nu hebben georganiseerd? Een systeem van veel lessen, veel vakken, grote groepen, strakke jaarplanningen en programma’s van toetsen en afsluiting – en dat alles in krap veertig lesweken. Dit systeem van ‘een kilo in een pondzak’ is al vastgelopen; kijk maar naar de ervaren werkdruk. Er kan en moet meer ruimte komen in roosters en leerplannen. Dan is er meer ruimte voor eigen initiatieven en samenwerking.

Men hoeft dan de schoolmethode minder slaafs te volgen en er worden meer eigen lessen gemaakt. En daar leer je als leraar het meeste van! Uit onderzoek blijkt dat excellente schoolsystemen veel ruimte bieden aan leraren.

2. Te veel rompslomp

De leraar besteedt zo’n 60% van zijn werktijd aan lesgeven. De resterende tijd gaat naar lesvoorbereiding, toetsing, overleg en naar diverse administratieve taken. Vergeleken met professionals in andere sectoren lijkt er veel tijd weg te lekken naar taken die veel handiger zouden kunnen worden georganiseerd. Kan de informatietechnologie niet een veel grotere rol spelen in het onderwijs, bijvoorbeeld in extra oefenstof en uitleg, toetsing, informatiebeheer en administratieve processen? Dan kunnen we die vrijkomende tijd benutten voor het ontwerpen en verzorgen van een nóg betere maatwerkbegeleiding van de leerling of student.

3. Ondoordachte professionalisering

Er zijn weinig scholen met een doordachte visie op de organisatie van professionele ontwikkeling van leraren, ondersteunend personeel en management. Meestal is onduidelijk wat de ambities van de school zijn, wat dat betekent voor de professionaliteit van de drie doelgroepen, en hoe die professionele ontwikkeling wordt georganiseerd. Te vaak worden docenten ‘opgezadeld’ met scholingsactiviteiten waarvan men niet weet waarom men die moet volgen. Vaak past ook de manier waarop professionalisering wordt vormgegeven niet bij de doelgroep, met als resultaat: weggegooid geld, verspilling van tijd en soms frustratie.
Ook de kloof tussen nieuwe inzichten uit educatief onderzoek en de lespraktijk is nog veel te groot en de nieuwe inzichten zijn vaak te vrijblijvend. Het ideaal van de ‘reflective practitioner’, de leraar die voortdurend op onderzoekende wijze zijn praktijk spiegelt aan de theorie, lijkt nog ver weg.

4. Te weinig beweging

Een vaste aanstelling is een groot goed in tijden van oplopende werkloosheid. Maar hoe houdt de leraar zich vervolgens in beweging om zijn talenten te blijven ontwikkelen? Het beroep is daarvoor op te veel plekken nog te weinig gericht op verbreding, verdieping of doorstroom naar andere functies. Onderzoek toont aan dat er vooral veel geleerd wordt als je in beweging blijft. En indirect kan dat ook, bijvoorbeeld doordat je als mbo-docent nauwe contacten onderhoudt met het beroepenveld waarvoor je opleidt. In deze externe oriëntatie liggen veel mogelijkheden, ook in basis en voortgezet onderwijs, die bij lange na niet benut worden. Vernieuwend en prikkelend HR beleid is nog nauwelijks aanwezig.

5. Er wordt onvoldoende leiding gegeven aan professionaliteit

De cultuur in het onderwijs is nog relatief weinig gericht op elkaar aanspreken, op écht samenwerken, op het behalen en bespreken van resultaten en op het verantwoorden van je werkwijze. In veel andere sectoren is het veel normaler dat je transparant te werk gaat en dat je leidinggevende je aanspreekt op de professionaliteit en resultaatgerichtheid van je handelen. Ook in het onderwijs krijgt dit op steeds meer scholen een plek, maar het gaat niet snel. En dat ligt ook aan de stijl van leiding geven, gecombineerd met onduidelijke doelen en resultaten en vage eisen aan professionaliteit en kwaliteit. In zo’n cultuur komen talenten zelden tot bloei. Prima dat eisen aan bekwaam blijven worden aangescherpt en wettelijk verankerd, maar als de cultuur en managementstijl niet verandert zal dat weinig opleveren. Leraren die elkaar helpen, aanspreken en stimuleren om continu kennis te vergaren en zich te ontwikkelen, zijn uitstekende boegbeelden om onze toekomstige generatie te laten floreren.

Markten & sectoren

Onderwijs

Willem Eikelenboom

Senior adviseur

Neem contact op