Werken met de onderstroom | Twynstra Gudde - Organisatieadviesbureau - organisatieadviesbureau

Werken met de onderstroom

In 1993, toen Antanas Mockus, de president van de Nationale Universiteit in de Colombiaanse hoofdstad Bogotá, werd geconfronteerd met een protesterende groep studenten die hem niet lieten uitspreken, schoof hij zijn broek op zijn enkels en ‘moonde’ de studenten. Later legde hij zijn actie zo uit: “Innovatief gedrag kan helpen als je niet uit je woorden komt”.

Het probleem is dat we gewoonlijk wel uit onze woorden komen, of denken te komen. In de wereld van organisaties en organisatieadvies staan woorden vaak centraal, of ze nu worden uitgesproken tijdens gesprekken of in trainingen, of opgeschreven worden in rapporten en presentaties. Deze woorden benadrukken vaak wat SMART is, objectief lijkt, tastbaar is, en efficiënt. Veel van wat wij (leiders, managers, adviseurs) doen wordt bepaald door een beperkte blik op waar het in ons werk om gaat. Daarbij hebben we weinig oog voor de randen, de kleine verhalen, het symbolische, het emotionele – wat ik de onderstroom in organisaties en organiseren noem. Dit is een verhaal over wat leiders, managers en adviseurs kunnen leren van kunst en kunstenaars om deze blik te verbreden, om zo beter uitgerust te zijn om de strijd aan te gaan met taaie maatschappelijke en organisatieproblemen.

De context als nieuw kapitaal

In de afgelopen tien jaar ben ik tegelijk muzikant en adviseur geweest, maar ik had wat tijd nodig om door te krijgen wat die werelden aan elkaar kunnen hebben. Een paar jaar geleden stelde ik me voor aan innovatie-expert Matthieu Weggeman. Zoals ik gewend was vertelde ik niets over mijn carrière als muzikant, terwijl ik toch het weekend daarvoor op het Lowlands festival voor 5000 mensen in de India tent stond. Hoewel ik vol was van deze ervaring deed ik mijn best serieus over te komen als adviseur, in pak, met frons. Het lukte best. Maar toen Matthieu er verderop in het gesprek achter kwam dat ik een dubbelleven leidt gebruikte hij de term “boundary spanner” om uit te leggen dat ik iets bijzonders had bij te dragen aan Twynstra Gudde en onze klanten: Ik kon de grens overbruggen tussen enerzijds de wereld van kunst en ontwerp, en anderzijds die van organisaties en bestuur. Deze zomer, opnieuw een paar jaar later, had ik het genoegen om samen met Amani Institute class of 2013 in Nairobi Kenia te praten over wat leiders, managers en adviseurs kunnen leren van kunst en kunstenaars. Daarbij kon ik putten uit vier jaar ervaring in het werken met kunstenaars en ontwerpers aan meer dan dertig projecten op het gebied van organisatieverandering, samenwerking en beleidsinnovatie.

Eén van onze projecten speelde in Noord Groningen, een plek waar Nederland groot lijkt: fabrieken torenen uit boven grote groene velden en de havens die de fabrieken verbinden met het Eems Dollard estuarium, waarin het zoete water van de Eems mengt met het zoute water van de Waddenzee. Vertegenwoordigers van milieuorganisaties, bedrijven en overheden hebben elkaar de afgelopen jaren veel ontmoet, binnen en buiten de rechtzaal, om tot overeenstemming te komen over de toekomst van het gebied. In 2012 waren ze er klaar voor een overeenkomst te tekenen die hun samenwerking voor de komende jaren zou beklinken. Een mijlpaal, maar de programmamanager van de provincie Groningen had het gevoel dat er iets miste. Gaan we er echt gezamenlijk voor? Gaan we voor winst voor alle partijen en een gemeenschappelijke toekomst, of zal de overeenkomst alleen een papieren werkelijkheid creëren? Zitten de verschillende belanghebbenden straks al weer in de rechtzaal voordat de inkt van de overeenkomst droog is?

Mijn collega’s bij Twynstra Gudde hadden in de periode voorafgaand aan onze betrokkenheid op kundige wijze alle belangen op tafel gekregen. En er leken dan ook genoeg redenen voor de organisaties om samen te werken. Dus wat miste er dan? Twee social designers (kunstenaars die niet geïnteresseerd zijn in een plekje aan een witte muur in het museum, maar met hun werk directe invloed uitoefenen op sociale vraagstukken), Tabo Goudswaard en Maartje Smits, onderzochten de situatie. Ze hadden daarbij niet alleen aandacht voor de in het oog springende inhoudelijke kwesties, zoals de uitbreiding van de haven van Delfzijl en hoe deze van invloed zou kunnen zijn op de ecologische waarden in de Waddenzee en het estuarium. Ze hadden juist aandacht voor de manier waarop het project als geheel betekenis kreeg voor de betrokkenen, en de fysieke context waarbinnen het plaats vond. Eén van onze vroegste observaties was dat de naam van het project, ‘Ecologie en Economie in Balans’, gebruik maakte van een metafoor die in essentie uitging van een “zero sum” situatie: een balans kan verschuiven, maar als de ene kant omhoog gaat, gaat de andere omlaag. Het leek ons moeilijk voor betrokkenen zich een gemeenschappelijke toekomst voor te stellen als de samenwerking betekenis krijgt in die termen.

Ons team creëerde een nieuw ontwerp voor de samenwerking, geïnspireerd op het brakke water in het estuarium: CLUB M, waarin M kort is voor Manifestuarium. Het werd de informele nieuwe naam voor de samenwerking. CLUB M had z’n eigen vlag en een clubhuis. Het tekenen van de overeenkomst die de start van CLUB M markeerde vond plaats op een hoogwerker die twaalf meter boven het landschap uittorende en uitzicht bood op de fabrieken, de haven, de leegte en de natuur. CLUB M ging niet over de balans tussen ecologie en economie. CLUB M is niet zoet of zout. CLUB M is brak en rijk, zoals de toekomst van het gebied. Maanden later vroegen betrokken ambtenaren in Den Haag de projectleider wat toch die club was waar iedereen het over had. 

Mijn punt is dat sommige problemen iets anders nodig hebben dan de aanpak die ons gewoon is, gericht op zo efficiënt mogelijk oplossen. En dat ‘iets’ is te vinden in de context van ons werk, onze bedrijven, onze projecten en onze gemeenschappen – mits we leren er oog voor te hebben.

Kunst is geen magie

Antanas Mockus moest na het tonen van zijn billen aan de studenten zijn positie als president van de universiteit opgeven. Maar een aantal jaar later werd hij wel de burgermeester van Bogotá. Nadenkend over nieuwe manieren om het enorme probleem van verkeersveiligheid van de stad op te lossen, besefte hij dat Colombianen maar één ding vervelender vinden dan een boete krijgen; belachelijk gemaakt worden. Hij huurde 420 mimespelers om de straten op te gaan en het gedrag van verkeersovertreders te spiegelen middels allerlei acts en performances. Zo deelden ze kaarten uit met ‘duim omhoog’ en ‘duim naar beneden’. De automobilisten van Bogóta hebben zich waarschijnlijk kapotgeïrriteerd – maar het aantal dodelijke ongelukken ging wel met 50% naar beneden!

Kunst is geen magie. En de meeste kunstenaars zijn niet zo heel verschillend van andere mensen. En toch, veel kunstenaars hebben een eigenschap die andere mensen niet hebben, of niet ontwikkeld hebben. Het is hun fascinatie voor de onderstroom in de samenleving, in sociale interacties, in onze manieren van doen, in onze organisaties. Door samen te werken met kunstenaars heb ik geleerd te leven met de existentiële vraag ‘ben ik een kunstenaar’ en te houden van de plek die ik in neem in mijn werk: er tussenin, de grens overbruggend zonder deze uit te willen wissen. Dit zijn een paar van de dingen die ik geleerd heb om meer oog te krijgen voor de onderstroom:

  • Zoek en luister naar de kleine verhalen, niet alleen naar de grote die alle aandacht opeisen. 
  • Verwacht het irrationele en het emotionele. We zijn mensen. Het is er altijd. 
  • Focus op wat je ziet en voelt, niet alleen op wat je hoort. 
  • Kijk aan de randen, veel dingen gebeuren juist daar, bijna uit het zicht. 
  • Als je ergens niet naartoe wilt, als je ergens liever niet over nadenkt. Omdat je er bang voor bent, omdat je je ervoor schaamt of omdat het problemen oplevert. Ga er juist naar toe. 

Al deze dingen heb ik geleerd van kunstenaars en social designers. Mensen die, net als wij, proberen te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, die onderzoeken waarom we doen wat we doen. Ik ben nog vaak stomverbaasd over wat de kunstenaars en ontwerpers met wie we werken zien, dat ik zelf gemist had. Maar ik heb geleerd dat de onderstroom een bron kan zijn van nieuwe inzichten en oplossingsrichtingen.
Dat is wat we kunnen - misschien zelfs moeten - leren van kunstenaars.

Deze blog verscheen eerder op de webpagina van de Stanford Social Innovation Review: http://www.ssireview.org/blog/entry/working_with_the_undercurrents

 

Reageer