Docentgedreven onderwijsvernieuwing: zonder wrijving geen glans

Steeds vaker betrekken onderwijsinstellingen ons bij de onderwijsvernieuwingen die zij inzetten om in te spelen op de veranderende wensen en behoeften van leerlingen en studenten en de arbeidsmarkt. Deze onderwijsvernieuwingen brengen diverse organisatorische consequenties met zich mee, maar vragen ook om een rol- en gedragsverandering bij docenten. Ons valt op dat er in praktijk doorgaans slechts een kleine groep docenten actief en enthousiast bezig is met het vernieuwen van het onderwijs, de ‘pioniers’. Een veel grotere groep, het peloton, is terughoudender en/of negatiever.

Uiteraard worden er tal van activiteiten georganiseerd om ‘iedereen mee te nemen’ in de vernieuwing, maar vaak gaat dit moeizaam. Studiedagen starten bijvoorbeeld met enthousiaste presentaties en workshops, maar aan het einde van de dag blijft een onbevredigend gevoel over. Het aanvankelijke enthousiasme maakt plaats voor taaie discussies, waardoor de enthousiaste pioniers van de vernieuwing het gevoel kunnen krijgen dat ze op een eiland staan. Vanuit Twynstra Gudde hebben wij de rol van docenten tijdens onderwijsvernieuwing nader onderzocht.

We hebben ontdekt dat onderwijsvernieuwing vrijwel altijd spanning oplevert, zowel tussen docenten onderling als tussen docenten en leidinggevenden. Bestaande kaders en werkroutines dienen immers te worden losgelaten en dat levert onzekerheid op. De vraag is hoe met deze spanningen om te gaan. We hebben gezien dat in sommige teams ontstane spanningen alle energie uit de vernieuwing wegtrekken, waardoor jammer genoeg niet het beste uit een team naar boven komt. Desalniettemin blijken er ook teams te zijn waar spanningen juist opgezocht en productief gemaakt worden. Door verschillen tussen docenten te (h)erkennen en benutten, kan ogenschijnlijke ‘weerstand’ leiden tot krachtige vernieuwing. Onderstaand model uit ons onderzoek kan helpen deze verschillen te duiden (Ten Berge, 2016).

Een belangrijk uitgangspunt in ons onderzoek is dat ‘dé docent’, waar veel over gesproken wordt, niet bestaat. Zoals in het model te zien is bestaan er verschillende (uitersten van) gedragingen van docenten tijdens onderwijsvernieuwing. Overeenkomstig met de verticale as van het model zien we bijvoorbeeld enerzijds docenten die hun schouders ophalen en verder gaan met hun (eigen) werk als er zich ‘alweer’ een vernieuwing voordoet; oude wijn in nieuwe zakken, even rustig laten overwaaien. Anderzijds zien we ook docenten die geprikkeld worden door vernieuwing, opstaan, in beweging komen en vernieuwing aanjagen. Kortom; er kan onderscheid gemaakt worden tussen docenten die een passieve houding aannemen en docenten die zich actief opstellen.

Het onderscheid tussen actieve en passieve gedragingen zegt nog niets over wat docenten van vernieuwing vinden, maar onze ervaring leert dat (onderwijs)professionals hun mening snel gevormd hebben. Zoals we in het voorgaande aangaven, worden sommige docenten enthousiast van het idee. Zij zijn er nieuwsgierig naar, terwijl andere docenten het maar niets vinden. Dit enthousiasme en deze weerstand kunnen zowel passief als actief van aard zijn, zoals wordt weergegeven op de horizontale as van het model. In het onderzoeksrapport ‘Flexibiliteit als activiteit’, kunt u meer lezen over verschillende (verklaringen voor) gedragingen van docenten tijdens onderwijsvernieuwing.

Onze ervaring leert dat de verschillende gedragingen van docenten bij leidinggevenden en initiatiefnemers een primaire reflex oproepen. Bij actieve weerstand, linksboven in het model, is men geneigd geduldig alle voordelen en kansen van de vernieuwing uit te leggen. Beide partijen proberen elkaar te overtuigen, maar dat levert uiteindelijk weinig concreets op. De uitdaging is om ‘creatief’ om te gaan met deze spanning, om deze te activeren en niet uit de weg te gaan. Zodoende kan het risico voorkomen worden dat in onderwijsteams het gesprek over onderwijsvernieuwing niet in gezamenlijkheid gevoerd wordt, bijvoorbeeld tijdens teamvergaderingen, maar ‘backstage’ op de wandelgangen en in de docentenkamer door individuele docenten. Onze collega’s Hans Vermaak en Leon de Caluwé noemen dit verschijnsel ‘pocket veto’; niemand laat het achterste van zijn of haar tong laat zien, met als gevolg dat de onderwijsvernieuwing doormoddert en het draagvlak afbrokkelt tot op het moment dat het concreet wordt en er afspraken gemaakt moeten worden.

Wij onderscheiden de volgende strategieën voor leidinggevenden en pionierende docenten om het echte gesprek over onderwijsvernieuwing met elkaar aan te gaan, de ‘dialoog’ te voeren:

  • Meer onderzoeken en doorvragen en minder discussiëren
  • Ontwikkeling als norm i.p.v. enkel prestatienormen
  • Intentie en initiatief belonen i.p.v. enkel resultaat
  • Beschikbaar zijn en kwetsbaarheid tonen als leidinggevende
  • Duidelijk zijn over cirkel(s) van invloed
  • Feiten en kennis op tafel leggen
  • Elkaar onderling aanspreken op slachtoffergedrag en cynisme

Een belangrijke vraag blijft hoe de spanning creatief in te zetten om vernieuwing te versterken en te voorkomen dat goede ideeën en initiatieven in de kiem worden gesmoord en onderwijsvernieuwing spaak loopt. Zoals aangegeven gaat het daarbij in onze ogen niet om het oplossen van de spanning tussen de pionierende docenten en ‘het peloton’ of ‘de achterblijvers’, maar juist om het productief maken van spanning. Ook hierover hebben we een aantal inzichten opgedaan:

  • Het achterliggende nut/belang benoemen (in veel gevallen de student)
  • Nieuwe ideeën even de tijd geven
  • Gefaseerd confronteren (stress test)
  • Weerstand onderzoeken, waarbij ‘de dialoog’ centraal staat
  • Creatieve werkvormen inzetten: denkhoeden van de Bono, disneycycle etc.
  • Gebruik maken van onafhankelijke begeleiding
  • Destructieve weerstand neutraliseren

Tot slot willen we meegeven dat iedere onderwijsvernieuwing maatwerk is. Niet alleen als beoogd doel voor studenten, maar ook in de aanpak en de benadering van docenten. Er zijn geen bewezen aanpakken die aan de voorkant succes kunnen garanderen. Het is iedere keer opnieuw met elkaar zoeken naar wat nodig is om de richting van de vernieuwing te bepalen en te bereiken, waarbij de spanning tussen vernieuwers en volgers altijd aanwezig is. Een succesvolle vernieuwing kan niet zonder deze spanning. Zonder deze spanning wordt het onderwijs, en ook ons vak, meer van hetzelfde en dat zou zonde zijn.

Download scriptie:
Flexibiliteit als activiteit 
Een verkennend onderzoek naar de wijzen waarop hbo-docenten omgaan met flexibilisering van onderwijs en de factoren die daarop van invloed zijn

Alésha ten Berge (adviseur onderwijs Twynstra Gudde)
Marc van Leeuwen (adviseur en partner onderwijs Twynstra Gudde)

Markten & Sectoren

Onderwijs

Reageer