Gemeenten willen dat de burger niet alleen meedenkt en meedoet aan beleidsontwikkeling en -uitvoering, ze willen dat de burger actief meedoet in de samenleving, zich verantwoordelijk voelt en acties onderneemt voor een gezondere samenleving. Waarom vinden gemeenten het belangrijk dat hun burgers participeren? Het antwoord kan worden onderverdeeld op twee niveaus:
Wat mij puzzelt is ‘hoe kunnen gemeenten de burger duurzaam betrekken bij de samenleving en het niet beperken tot een plasje van de burger over gemeentelijk beleid? Gemeenten zien het belang van burgerparticipatie in en ondernemen acties om meer burgerinitiatieven tot stand te brengen. Maar die komen moeizaam van de grond. Gemeenten zijn in de praktijk het meest in de weer met het betrekken van de burger bij beleidsontwikkeling en het lukt maar niet om burgerinitiatieven te stimuleren. De gemeente organiseert en hoopt dat de burger komt opdagen. De al actieve burgers (50+, autochtoon, man) komen opdagen en dat is slecht een beperkte groep uit de samenleving. Het lijkt erop dat de burger niet echt geintereseerd is om actief mee te doen in de samenleving. Maar is dat ook zo?
De meeste invloed op de praktijk van participatiebeleid van gemeente komt in Nederland vanuit de bestuurskundige wereld. Interessant is het om te kijken naar “andere werelden”, bijvoorbeeld die van de organisatiepsychologie. Margret Wheatley stelt dat organisaties zich nog steeds laten leiden door de principes van de oude natuurkunde waar twee belangrijke kaders gelden: levende systemen en de nieuwe natuurkunde. Wheatley constateert dat de huidige wijze van werken in organisaties is gebaseerd op het machinedenken uit de tijd van Isaac Newton. Aan deze machinebenadering liggen diepe collectieve mentale modellen ten grondslag, namelijk:
Als we ervan uitgaan dat gemeenten ook op deze wijze denken over de burger, dan het denken ‘de burger doet alleen mee als hij eigenbelang heeft en er moeten duidelijke kaders en regels zijn en het proces moet goed worden georganiseerd’.
Het is niet echt motiverend om mee te doen als je als burger merkt dat er op deze manier naar de burger wordt gekeken. Ik zou afhaken. Duurzaam participatiebeleid gaat plaatsvinden als burgers meer de ruimte krijgen om hun zelfredzaamheid en zelforganiserend vermogen te laten zien. Dat betekent dat bestuurders en beleidsambtenaren de burger niet als bedreiging maar als kans moeten zien en, zonder de problemen uit het oog te verliezen, moeten kijken naar plekken en mensen in deze samenleving met energie en dynamiek.
Ik heb in de opdrachten die ik in de Schilderswijk Den Haag en Overtoomse Veld Amsterdam gezien dat de bewoners veel beter dan wie dan ook weten wat er speelt. Zij kunnen veel vaker concreet benoemen wat het probleem en de passende oplossing is. Ik heb gezien dat burgers met elkaar mooie dingen tot stand kunnen brengen. Ook zonder de overheid. Ik heb ook gezien dat “samen doen” zorgt voor sociale samenhang en een grote saamhorigheid in een gemeenschap. En die hebben we nodig in Nederland. Vooral in de wijken die sinds de jaren ‘70 enorm zijn veranderd van samenstelling.
Mijn boodschap aan bestuurders en beleidsambtenaren is niet dat ze hun handen terug moeten trekken. Ik denk dat gemeenten een bijdrage kunnen leveren aan de sociale samenhang en samenhorigheid in gemeenten door burgerinitiatieven te stimuleren. Maar daarin moeten ze zoeken naar balans: wat doen we wel en wat niet? Welke ruimte geven we en hoe voorkomen we dat er vervreemding ontstaat? Dit wil ik bestuurders en beleidsmakers nog meegeven: