"Ik zie mijzelf als verbinder. Daar gaat het om.” Aan het woord is Jan Brugman, programmadirecteur Rijswijk-Zuid. Hij is sinds vorig jaar belast met de gebiedsontwikkeling tussen Rijswijk en Delft. “De uitkomst is onbekend. De opgave is complex, strategisch en risicovol. Het gaat om een exploitatie van ongeveer 250 miljoen. Dat is drie keer de begroting van Rijswijk. Dat doe je niet even tussendoor in de lijn.
Flexibiliteit
“Ik ben begonnen met het krachtenveld rondom dit gebied. We hebben een samenwerkingsovereenkomst met de TU Delft waar bijvoorbeeld Friso de Zeeuw en Hans de Jonge hoogleraar zijn. Die hebben me erg geholpen met het proces van verbinden. In wezen alles met alles. Dat schept ruimte en flexibiliteit.”
“Op mijn eerste ideeën reageerde B&W instemmend. Ik heb met hen de hoofdlijnen van de opdracht en de organisatie vorig jaar afgesproken. Ik hang formeel rechtstreeks onder het college. Die lijn gebruik ik alleen in uiterste noodzaak. In de praktijk stem ik al mijn beslissingen af met twee wethouders, de algemeen directeur en de andere lijnmanagers. Ik heb er niets aan het op de spits te drijven.”
Nieuwe werkwijze
“In het proces vind ik het noodzakelijk te horen wat de raadsleden voor ideeën hadden. Dat was qua werkwijze volstrekt nieuw. Tot nu toe worden voorstellen geheel uitgewerkt voorgelegd aan de Raad. Nu wilde ik helemaal aan het begin weten wat iedereen ervan vond. Samen met Friso hebben we inmiddels twee heel nuttige en zinvolle bijeenkomsten met de raadsleden en het college gezamenlijk gehad. Het resultaat was uiteindelijk dat er een sfeer van vertrouwen is ontstaan in het proces en er een gevoel van sturing vooraf aan deze opgave begon te ontstaan.”
“Ik heb wel meteen het opdrachtgeverschap geregeld. Het risico is heel groot dat prioriteiten anders uitvallen door beslissingen in de lijn. Daar kan ik bij deze opgave niet van afhankelijk zijn. Ik schuif wel zoveel mogelijk andere mensen naar voren. De lijn levert mij de afgesproken producten. Ik wil hen zoveel mogelijk een podium bieden om hun professionaliteit te etaleren.
Waarom en voor wie?
“Mijn organisatie moet ook niet te groot worden. Ik werk nu met zes mensen in de ondersteuning. Dat zijn ervaren mensen die het leuk vinden nu eens een andere rol te spelen. Zij kennen de organisatie van haver tot gort. Door zo klein mogelijk te blijven hoop ik geen concurrentie met de lijn te creëren, maar samenwerking. Wij moeten als onderneming gaan werken, waarbij wij telkens de vraag stellen naar het waarom en voor wie de producten zijn. Wij hebben zoals vele organisaties de neiging die vraag te verwaarlozen en meteen naar het wat en hoe te gaan.”
Bron: De Programmamanager, jaargang 3, nr. 2, mei 2009
