De meeste gemeenten werken al jaren met een veelheid aan programma’s. Dat gebeurt al langere tijd op ambtelijk en collegeniveau en met de invoering van het dualisme in 2002 is ook de mogelijkheid van een raadsprogramma geïntroduceerd. De verschillende programma’s kennen een grote diversiteit aan erschijningsvormen en mate van concreetheid, maar hebben gemeenschappelijk dat zij gericht zijn op het behalen van effecten (doelen). Door te werken met programma’s en bijbehorend anagement, streven gemeenten ernaar om samenhang te versterken en prioriteiten te stellen, zodat veel projecten en andere activiteiten effectief worden uitgevoerd. Daarmee zouden organisatorische en/of maatschap-pelijke verbeteringen dichterbij komen.
Programma's leiden tot suboptimale uitkomsten
De praktijk blijkt echter weerbarstig. Veel programma’s bij gemeenten leiden tot suboptimale uitkomsten. Wij zien een aantal oorzaken. Zo wordt de term programma’ en het bijbehorende ‘programmamanagement’ vaak op een verkeerde wijze toegepast. Gevolg is teleurstelling bij betrokken kiezers, raadsleden en wethouders, die na goedbedoelde inzet de hooggespannen verwachtingen die zijn ontstaan niet waargemaakt zien worden. Ook worden programma’s vaak gedefinieerd op basis van politieke ambities, met een horizon die tot over de eigen college- en/of raadsperiode reikt. Staatsrechtelijk is dat verdedigbaar, want het primaat ligt bij de politiek. Echter, een programma met een horizon verder dan vier jaar wordt dus altijd geconfronteerd met een verkiezingsstrijd en bijbehorende onzekerheid. Wat eerst een prioritair doel of project was, kan na de verkiezingen veranderen in een niet-relevant onderwerp. Met alle gevolgen van dien voor de ambtelijke organisatie.
Verkiezingsprogramma's lopen over van amities en wensen
Nu de gemeentelijke verkiezingen plaatsvinden in een tijd van economische recessie is het voor een ambtelijke organisatie nog meer dan eerst noodzakelijk om voorafgaand aan en direct bij de vorming van een nieuwe coalitie duidelijk te maken voor welke opgaven de gemeente staat. De verkiezingsprogramma’s lopen over van ambities en wensen, dus de gevaren van een groot aantal nieuw te starten programma’s, het herinrichten van bestaande programma’s of het afwentelen van de nodige bezuinigingen op het ambtelijk apparaat (reorganiseren) ligt op de loer. Natuurlijk moet de politiek het primaat houden, maar wees zuinig met wat bestaat. Daarmee zijn gemeenten het meest geholpen.
Reorganiseren, het afbouwen van programma’s, het starten van nieuwe programma’s: het kost een gemeente hoe dan ook veel geld, tijd en energie. Niet alleen in materiële zin, want dit soort ingrijpende beslissingen werkt door in de productiviteit van een ambtelijke organisatie. Nieuwe politiek-bestuurlijk ambities leiden, als dit ondoordacht wordt vertaald naar consequenties voor programma’s en ambtelijke organisatie, tot kapitaalvernietiging en een afname van productiviteit. In tijden van bezuinigingen en taakstellingen kan dat leiden tot een extra last, terwijl de opgave al zo groot is.
Verkiezingsretoriek 'alles kan en moet'
De gemeentelijke politiek, dus zowel raad als college, moet zich realiseren dat de verkiezingsretoriek van ‘alles kan en moet’ zich niet alleen laat beperken door de vertaling naar de onderhandelingsretoriek van ‘keuzes maken en compromissen sluiten’. Voor het goed functioneren van gemeenten die worden geconfronteerd met de aanstaande financiële opgaven is dat niet genoeg. Het is aan de top van de ambtelijke organisatie om daarom vroegtijdig te starten met de ‘bewustmaking’ van gemeenteraadsleden en (potentiële) bestuurders. Gezamenlijke verwachtingen en beelden delen over te bereiken doelen en beschikbare middelen helpt daarbij. De leiding van de ambtelijke organisatie zal samen met de burgemeester, als voorzitter van raad en college, politieke opportuniteit en ambtelijke realiteit bij elkaar moeten brengen.


